Zo’n dertig jongerenorganisaties, scholen en hulpverleners luiden de noodklok. Ze verenigen zich in een groeiend initiatief om jongeren met ‘donkere gedachten’ beter te bereiken en te ondersteunen. Hun boodschap: wacht niet tot het escaleert, maar zorg dat jongeren gezien en gehoord worden.
Een appje met een grappig panda-gifje. Een rondje wandelen. Of simpelweg: even luisteren. Voor steeds meer jongeren kan zo’n klein moment het verschil maken tussen doorgaan en afglijden. Professionals in Rotterdam-Pendrecht slaan alarm: donkere gedachten onder jongeren worden zichtbaarder, heftiger en jonger.
Volgens mede-initiatiefnemer en jongerenwerker Milka Miller-Sies van College.53 is het ontstaan vanuit pure noodzaak. “We zijn gewoon begonnen met: het kan niet zo zijn dat jongeren overspoeld worden met alles wat er speelt, en wij dan ‘even weekend’ hebben. We moeten beschikbaar blijven. We kunnen niet wegkijken.” Het belangrijkste werk is dus: contact houden.
Dat contact is vaak klein en persoonlijk. “Bij de één check ik in met een gifje, bij de ander ga ik wandelen. Sommige jongeren spreken we elke week. En soms zit je een uur te praten over hoe donker het is.” Die gesprekken gaan lang niet altijd over het uiterste. “Dat is de laatste stap. Daarvoor zitten nog twintig fases waarin iemand zich ongelukkig voelt.”
Wat haar de meeste zorgen baart: de ontwikkelingen worden extremer én beginnen steeds eerder. “We zien nu kinderen vanaf tien jaar met dit soort gedachten. En online gebeurt iets heel zorgelijks: jongeren filmen zichzelf terwijl ze zichzelf pijn doen, en krijgen daar hartjes voor.” Tegelijk ontbreekt volgens haar vaak de basis. “Als je thuis, op school en online niet veilig bent, hoe moet je hoofd dan rustig blijven?”
Moeilijk gesprek
Tiffany Jantji van Stichting Who Am I maakt verborgen onderwerpen bespreekbaar. Tegelijkertijd ziet ze ook hoe moeilijk het gesprek nog is. “We willen voorkomen dat dit een tijdelijke noodkreet wordt. Vandaag praten we erover, morgen zijn we het weer vergeten. Dat mag niet gebeuren.” Haar organisatie gaat juist actief de dialoog aan in klaslokalen, buurthuizen en met ouders.
Daar draait het niet om één zwaar woord, maar om begrijpen en herkennen. “We noemen het bewust ‘donkere gedachten’. Het zijn gedachten waar mensen geen woorden voor hebben. Als je die woorden wel geeft, ontstaat er ruimte om te praten.” In sessies leren jongeren en volwassenen signalen herkennen en vragen stellen. “Als iemand naar je toe komt en jij schrikt of zegt ‘ik weet het niet’, dan ben je diegene kwijt.”
Volgens Jantji ligt de verantwoordelijkheid bij iedereen. “Dit is niet van één organisatie of de overheid. Het moet als een olievlek werken. Ouders bereiken kinderen, kinderen bereiken elkaar.” Wat ze hoopgevend vindt: hoe snel de organisaties nu samenwerken. “Iedereen voelde: hier moeten we iets mee. Samen bereik je veel meer jongeren.”
Zaadje planten
Mirjam Mels is directeur van de Beatrixschool in Pendrecht. Ze ziet de problematiek inmiddels ook terug in de klas. Waar dit vroeger vooral bij tieners speelde, komen signalen nu al uit de bovenbouw van de basisschool. “Ouders vragen: hoe herken ik dit? Wat moet ik zeggen? Die handelingsverlegenheid is groot.” Ze pleit daarom om het zaadje van praten al te planten als kinderen jong zijn.
Op school wordt geprobeerd om het gesprek laagdrempelig te maken. Niet door zware thema’s op te leggen, maar door ruimte te creëren waarin kinderen zich durven uit te spreken. “Je merkt dat als er iets speelt, kinderen er zelf over beginnen. Dan moet je als school wel klaarstaan om dat gesprek goed te begeleiden.”
Volgens Mels is juist die samenwerking cruciaal. “School kan dit niet alleen. Ouders niet. Hulpverlening niet. We moeten elkaar versterken.” Want uiteindelijk gaat het om iets basaals, zegt ze: “Dat kinderen zich gezien voelen. Als dat ontbreekt, gaan ze ergens anders zoeken, zoals de straat. Dat pakt niet altijd goed uit.”
Dit is een nieuwsbericht van Rijnmond

